LeerKracht Peggy van Lit

Half oktober sprak ik Peggy van Lit. Ik ken Peggy van de periode dat zij werkte voor De Piloot als intern begeleider. Na jaren voor de Piloot gewerkt te hebben was ze de grote stad zat, kocht een huis ergens ver buiten Rotterdam om daar te gaan werken op een school en te genieten van de buitenlucht samen met haar zoon. Nu, woont ze sinds kort weer in Rotterdam, maar werkt ze wel nog steeds op OBS Pluspunt in Oud-Beijerland.

_MG_7440

Ambitie

Je bent al ongeveer acht jaar intern begeleider. Hoe denk jij terug aan de periode waarin je werkte als leerkracht?

Peggy: “ De periode waarin ik werkte als leerkracht was erg leuk. In 1994 kwam ik van de Pabo. Ik ben begonnen op de Mariaschool in Capelle aan den IJssel. Daarna ben ik in Spangen op de Nicolaasschool gaan werken.  Op deze school werkte al een groep vriendinnen van mij. Toen ik hoorde dat ze daar een vacature hadden ben ik in mijn pauze van de Mariaschool naar de Nicolaassschool gerend en toen heb ik daar een gesprek gehad met de directeur waarna ik ben aangenomen.  Toen ben ik dus op de Nicolaasschool gaan werken met al die meiden en dat was supergezellig. Ik moest wel een beetje wennen want ik kwam uit Capelle aan den IJssel. Ik woonde ook nog met één van die meiden in een huis. Dus het was een grote gezellige toestand en hierdoor bleven we vaak tot laat op school. Het was nog in de tijd van het krijtbord en ik had groep 3. Ik was regelmatig uren bezig met het maken van bordtekeningen bij de nieuwe woorden die de kinderen leerden. Dat vond ik hartstikke leuk. Het was wel een totaal andere wereld want ik had bijvoorbeeld nog nooit meegemaakt dat je aan de drugs verslaafd kon zijn of dat je ouders je niet verzorgden of dat je überhaupt niet wist wie je ouders waren. Dat had ik allemaal nog nooit meegemaakt. Als ik vanuit huis naar school over de Mathenesserbrug fietste, dan fietste ik een soort andere wereld in. Op de een of andere manier kwam ik er wel achter dat als je iets met deze kinderen kreeg, als ze je vertrouwden of als ze echt wisten wie je was of als je je af en toe wat extra voor ze inzette, je veel met ze kon bereiken. Ik nam ook wel eens dingen voor ze mee.  Of als schoolreis niet was betaald dan ging ik toch maar even langs huis om te vragen of ze echt geen geld hadden voor de schoolreis omdat het zo jammer zou zijn als de leerling niet mee zou kunnen gaan. Toen merkte ik dat zelfs als het een beetje lastig is om iets voor elkaar te krijgen, het toch lukt met een beetje inzet van mijn kant. Dat vond ik heel leuk om te merken.

    _MG_7280

Vaak moest je ook een beetje een fysieke strijd strijden met deze leerlingen, die toch gewend waren aan de straatcultuur waar het belangrijk is om te overleven. Wie is nou eigenlijk de sterkste en de slimste?  Wie kan het snelste dingen veroorzaken?  En dat bleek dan ik toch te zijn. En dan gebeurde er vaak wat. Ook als je bij ze thuis was geweest. Dat vond ik heel leuk. En het feit dat je ze wat kon leren. Dat ze in de klas zaten en tot het besef kwamen dat ze iets hadden geleerd en dat hun resultaten omhoog gingen en daar dan trots op waren.

Maar ik moet ook eerlijk zeggen dat toen ik heel jong was, ik me helemaal niet zo bezig hield met de resultaten. Het ging voor mij allemaal een beetje vanzelf. Maar bewust dingen plannen of veroorzaken en dat ik vooraf bedacht dat ik een bepaalde opbrengst met een leerling wilde bereiken, wat je nu veel meer hebt, daar was ik totaal niet mee bezig.”

 

Voordat je kwam werken op De Piloot, heb je ook nog ontwikkelingswerk gedaan. Vertel?!?

Peggy: “Op een gegeven moment ging ik ontwikkelingswerk doen op een school op de Salomonseilanden naast Papoea-Nieuw-Guinea. Ik reed daar rond in het bos met een klein vrachtwagentje. Dan hadden ze bijvoorbeeld een nieuwe methode wiskunde en Engels geschreven en die moest ik dan naar de school brengen. Eerst gebruikten ze een methode uit Australië waarin ze het hadden  over treinen en vliegtuigen. De kinderen die daar woonden hadden dit nog nooit gezien. Dus dat sloot totaal niet aan bij hun belevingswereld. In die nieuwe methode was daar rekening mee gehouden en gingen de verhalen over bijvoorbeeld ‘de kano’. Die methode mocht ik dan naar de school brengen. Voordat ik dat deed reed ik eerst naar de kartonfabriek waar ik allemaal restkarton haalde. Daar maakten we bijvoorbeeld puzzels of spelletjes van die gebruikt konden worden bij de nieuwe methode. Ik mocht de methode dan implementeren in de school van groep 1 tot en met 8.

Ik nodigde ook alle scholen uit de buurt uit en dan gaven we een drie-daagse met workshops en eten. Dus dan moest ik een varken ophalen in mijn vrachtwagentje, maar ook de mensen en de gastsprekers. De eerste keer ging er nog veel mis, echt verschrikkelijk. Ik wist niet zo goed hoe het allemaal moest en hoe ik dat allemaal moest organiseren.  Totdat ik bij een ander meisje meekeek die het al een paar keer had gedaan.  Daar heb ik toen wat tips en tricks van afgekeken. Het was erg leuk tot er een burgeroorlog uitbrak. Er werd een coupe geleegd en werden we allemaal geëvacueerd. En toen was ik weer thuis.”

 

Wat zijn wat jou betreft kenmerken van een goede intern begeleider?

Peggy: “Wat is goed? Lastig…… Misschien dat je in ieder geval op de hoogte bent van wat er allemaal speelt. Dat je goed overzicht hebt over je verschillende groepen en dat je er bewust van bent dat de omgeving bepaalt. Daarmee bedoel ik dat het belangrijk is voor een intern begeleider dat ‘de omgeving’ zich op zijn gemak voelt bij hem of haar. Zoals met elk mens, heeft iedere leerkracht zijn kwaliteiten, dingen die hij goed kan en dingen waar hij slecht in is.  Dingen die je minder goed kan komen altijd pijnlijk naar voren wanneer je met kinderen werkt. Je ziet het gelijk. Een goede intern begeleider kan denk ik alles bespreekbaar maken. Dus dat je over alles kan praten zonder dat de ander denkt dat hij het niet goed heeft gedaan. Kunnen kijken zonder oordelen, goed contact kunnen maken, kunnen luisteren en soms ook heel confronterend kunnen zijn. De ander kunnen begrijpen en samen kijken of er iets verbeterd kan worden. In mijn optiek kan dat alleen als de ander zegt dat hij een probleem heeft. Mijn visie is ook, als de ander zegt dat hij geen probleem heeft, dan is er geen probleem. Als de resultaten goed zijn, de kinderen blij zijn en de ouders gelukkig zijn, is dat prima toch? Ik heb leerkrachten die op een hele onconventionele manier lesgeven, maar de kinderen halen de hoogste citoscores en iedereen is gelukkig. Moet ik dan moeilijk gaan doen over een les die is overslagen? Het is ook belangrijk dat je van jezelf weet waar je goed in bent en wat je lastig vindt.  Soms moet ik zelf geholpen worden. Dan weet ik het ook niet en dan ga ik op zoek naar oplossingen. Oprecht nieuwsgierig zijn is denk ik ook een kenmerk van een goede intern begeleider.

Het moeilijkst vind ik het begeleiden van mensen die van zichzelf totaal niet zien waar zij goed en minder goed in zijn en die de oorzaak van alles wat fout gaat buiten zichzelf leggen.  En dan kan ik heel confronterend zijn. Een goede intern begeleider moet ook veel kennis hebben en heel goed in de gaten hebben wat een ‘normale’ ontwikkeling is om dit af te kunnen zetten tegen wat er nou gebeurt. Dus een goede intern begeleider moet best een hele hoop kunnen en kennen. Heel veel, maar dat vind ik ook leuk.”

_MG_7358

Passend onderwijs is landelijk een ‘hot topic’. Wat merk je daarvan in de dagelijkse praktijk?

Peggy: “Dat wij al passend onderwijs zijn. Eigenlijk in een soort mini-situatie want we zitten in de Hoekse Waard. Daar hebben we de missie: geen enkel kind het eiland af. Bij alle leerlingen die niet meer in de Hoekse Waard naar een reguliere basisschool kunnen, wordt gekeken of ze bij ons naar school kunnen. Wij hebben drie units. Een ASS (autisme spectrum stoornis)-unit, ingericht aan de hand van de methodiek Wijzer Onderwijs.  Dat werkt hartstikke goed. Hier zitten kinderen met een gemiddelde intelligentie en met name de behoefte voor onderwijs gericht op kinderen met autisme. Dit zijn kleine groepen die prikkelarm zijn ingericht. Dan hebben we een SBO-unit voor kinderen met een leerachterstand en/of gedragsproblemen. Daar hebben we drie groepen van. En dan hebben we ook nog drie Da Vinci groepen voor hoogbegaafde leerlingen.

Dus PPO Rotterdam komt vaak langs en mensen uit het hele land bellen met vragen. Dat is hartstikke leuk! En daar ben ik nu intern begeleider. Alledrie de units zijn totaal anders. Bij de Da Vinci unit ben je in de klas aan het compacten, verrijken en versnellen. Ze hebben daar Spaans, Engels, Filosofie, schaken en science op het rooster staan. Ik weet ook niet meer hoeveel tijd er besteed moet worden aan taal of rekenen. Dat hebben we vastgesteld per unit. Dus wij zijn Passend onderwijs.”

 

Stijl

In wat voor soort outfit voel jij je het lekkerst op je werk??

Peggy: “Ligt eraan wat voor dag het is en of ik de achterwacht ben of niet. Als ik achterwacht ben, moet ik helpen als iemand hulp nodig heeft in de groep met een leerling. We hadden bijvoorbeeld vroeger wel eens weglopers. Dan is het beter als je een gympie aan hebt, je nagels hebt geknipt en een ring om hebt waar niks af of aan steekt. Op maandag hoef ik bijvoorbeeld geen achterwacht te zijn. Dan trek ik andere dingen aan. Ik kan dan bijvoorbeeld de laarzen aan die ik nu aan heb. Deze zijn van een Nederlandse ontwerpster van het merk Kop en Staart. Zij maakt schoenen en laarzen. Het wisselt dus wel een beetje wat ik aan heb. Het is ook afhankelijk van of ik een afspraak heb of niet en met wie. Daar houd ik ook rekening mee. Dan kleed ik me wat netter.”

 

Hebben jullie op school een dresscode? Of anders gezegd: zijn over het dragen van bepaalde kledingstukken afspraken gemaakt voor leerlingen en/of teamleden?

Peggy: “Nee, niet dat ik weet. Oud-Beijerland is wat dat aangaat een stuk netter dan Rotterdam. Ik let zelf altijd op, of dat wat ik aandoe niet te gek is en niet te veel opvalt.  Want als mensen het raar vinden wat ik aan heb, dan verlies ik contact. Als ouders denken: Leuk excentriek, maar wat moet ik ermee? Dat moet ik niet hebben. Dus ik pas me regelmatig een beetje aan mijn omgeving  aan.”

_MG_7436

Dit najaar zien we weer veel verschillende trends voorbijkomen. Seventieslooks, prints, hoge laarzen, pastels, oranje, ruiten en zo kan ik nog wel even doorgaan. Welke trend sla jij definitely over dit jaar en zit er nog iets bij waar je zeker voor gaat?

Peggy: “Dat vind ik heel moeilijk. Want als het echt mode is laat ik het sowieso aan me voorbij gaan. Ik vind het vooral leuk als iets me verrast. Op het werk heeft een collega me een keer uitgelegd hoe ik bepaalde kledingstukken met elkaar kan combineren en dat werkte best wel. Ik kwam toen tot de conclusie dat ik veel meer kan proberen dan ik nu doe. In de periode dat ik net alleenstaande moeder was had ik echt nul euro of beter gezegd, min nul euro. Ik wilde toch niet mijn kleding halen bij de geijkte winkels maar het moest wel goedkoop. Dus dan zocht ik kleding in Rotterdam Noord, in de Jonker Fransstraat. Dan ging ik liever tussen de Turkse winkels iets zoeken en daar kocht ik dan een paar mooie schoenen bij. Dan zag het er toch net even anders uit dan wanneer ik mijn kleding in de geijkte winkels ging kopen. Daar haalde ik mijn lolletje uit. Naarmate ik ouder word moet ik zeggen dat ik het mezelf minder gun om iets heel duurs te kopen dan vroeger. Ik was me vroeger ook nooit zo bewust van wat in de wereld speelde. Nu vind ik dat er zoveel belangrijkere dingen zijn dan er leuk uitzien. Ik vind het wel leuk om er verzorgd uit te zien, maar vroeger vond ik het veel leuker om me te onderscheiden met kleding. Dat heb ik nu veel minder. Vroeger was ik me ook niet zo bewust van mezelf.  Door het vak dat ik doe, heb ik mezelf beter leren kennen en kwam ik tot de conclusie dat ik eigenlijk heel verlegen ben (schaterlachend). In de belangstelling staan door onderscheidend te zijn met mijn kleding vind ik helemaal niet meer zo prettig.

Wat ik nog steeds wel doe is mijn kleding (truitjes, bloezen en jurken)  achterste voren aan. Vraag me niet waarom. Nou ja, ik weet het ook eigenlijk wel. Ik houd niet echt van decolleté bij mezelf, dat vind ik niet prettig.  Bij bloesjes, heb je heel vaak dat het zo open is, dat vind ik helemaal niks. Dan doe ik ze achterstevoren aan. Een laag uitgesneden rug vind ik altijd wel prima. Maar ook allerlei shirtjes enzo. Bijvoorbeeld die van de Hema, als je die omdraait vind ik ze veel beter zitten.

_MG_7275

Ik heb ook wel wat met sieraden. Mijn overgrootmoeder, die kwam uit Indonesië en die werkte daar bij een juwelier. Zij had veel sieraden verzameld. Maar niet alleen uit Indonesië. Hier kwam ik achter toen ik in Italië op die brug de Ponte Vecchio liep. Er zitten daar veel juweliers. Die sieraden die zij verkochten, leken allemaal op wat ik kreeg van mijn moeder via mijn overgrootmoeder. Dus ik belde mijn moeder op om te vragen of oma ook in Italië was geweest. Toen zei mijn moeder dat oma inderdaad regelmatig in Italië kwam. Vroeger droeg mijn moeder ook altijd juwelen. Nog steeds trouwens. Die wilde ze graag aan mij doorgeven en ik wilde dat nooit.  Van die grote gouden ringen, dat vond ik zo stom. Maar nu ben ik langzaam maar zeker wat sieraden aan het verzamelen en ben ik er hartstikke blij mee.”

 

Peggy heeft  naast dat ze werkt als intern begeleider ook haar eigen bedrijf voor onderwijs en ondersteuning op maat: SMART. 

Credits pictures: Shannon Cherryl

No Comments Yet.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *